Begroting 2019

Reserve en kaders sociaal domein

Reserve en kaders sociaal domein

Tijdens de vorige bestuursperiode (2014-2018) zijn taken binnen de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet gedecentraliseerd naar gemeenten. De kaders die de raad voor deze taken had vastgelegd, zijn niet meer actueel:

  • Het uitgangspunt “we doen het voor het geld dat we ervoor krijgen”, gold alleen voor de gedecentraliseerde taken (Jeugdwet, Wmo en Participatiewet). Het sociaal domein is breder en omvat ook taken zoals Gebundelde Uitkeringen (BUIG), Schuldhulpverlening, Armoedebestrijding en Statushouders.
  • Vanaf 2019 is nog een beperkt deel van de rijksuitkeringen geoormerkt. De aparte uitkeringen voor de Jeugdwet, Wmo en Participatiewet worden overgeheveld naar de algemene uitkering.
  • De reserve sociaal domein is ingesteld tot en met 2018 en loopt dus einde 2018 af.
  • De ervaring in de afgelopen jaren is bovendien dat kosten binnen het sociaal domein verschuiven. Dit leidt tot (verkeerde) beeldvorming en vraagt om een samenhangende benadering van de budgetten.

Verdere ontschotting binnen sociaal domein
Voor de huidige bestuursperiode wordt voorgesteld om over te gaan tot (1) een bredere ontschotting binnen het sociaal domein en (2) de reserve sociaal domein voort te zetten. Dit houdt in dat de budgetten die vallen onder de bovengenoemde beleidsterreinen, dus inclusief BUIG, in samenhang en ontschot kunnen worden ingezet. Ook betekent dit dat extra kosten, bijvoorbeeld als gevolg van landelijke ontwikkelingen of nieuw beleid, binnen de begroting van het sociaal domein moeten worden opgevangen. Voor de begroting werkt dit dus neutraal uit.
Argumenten hiervoor zijn dat (1) het samenhangende en financieel risicovolle taken betreft en (2) dit een dempend effect heeft op de rest van de begroting. Voor de omvang van de reserve wordt voorgesteld om 5% van het begrotingstotaal sociaal domein aan te houden. Dit wordt nader uitgewerkt en vastgelegd in de nota reserves en voorzieningen, die in 2019 aan de raad wordt voorgelegd.